Drie armste landen van de EU willen bij de euro
De drie armste landen van de Europese Unie willen graag meedoen aan de muntunie en hebben deelname aan de euro op de agenda gezet. Eerder al werd duidelijk dat ook Bulgarije en Kroatië hun monetaire soevereiniteit willen inwisselen voor de euro, maar nu heeft ook Roemenië haar intentie uitgesproken om deel te nemen.

De drie landen worden niet alleen gelokt door de voordelen die de euro kan brengen ten aanzien van handel en buitenlandse investeringen, maar dat er met deelname aan de gemeenschappelijke munt mogelijk ook meer Europees geld in deze landen geïnvesteerd zal worden. Uit de laatste EU-begroting blijkt namelijk dat er veel meer nadruk ligt op de Eurolanden dan op de EU-landen die aan hun eigen munt vasthouden.

Nieuwe kandidaten zijn minder rijk dan andere eurolanden (Grafiek via Bloomberg)

Steeds meer landen gaan over op de euro

Het aantal deelnemers van de gemeenschappelijke munt is door toetreding van diverse oost-Europese landen sinds de invoering gestegen van 12 naar 19 landen. Maar ook in verschillende Oost-Europese landen die nog steeds een eigen munt hanteren wordt de euro al steeds meer gebruikt, een fenomeen dat ook wel euroisatie genoemd wordt.

Om de handel met andere eurolanden in goede banen te leiden proberen veel niet-eurolanden in de Europese Unie de waarde van hun munt stabiel te houden te opzichte van de euro. Een voorbeeld daarvan in Bulgarije, dat haar eigen munteenheid gekoppeld heeft aan de euro als voorbereiding op deelname aan het wisselkoersmechanisme later dit jaar. Als de munt twee jaar lang stabiel blijft ten opzichte van de euro mag het land toetreden tot de muntunie.

Uitbreiding eurozone

Deelname aan de euro is een proces wat enkele jaren in beslag neemt, omdat er zowel op fiscaal als monetair beleid de nodige voorbereidingen gedaan moeten worden. Kroatië heeft als doel gesteld binnen vijf tot zeven jaar de euro in te kunnen voeren, terwijl Roemenië nog geen deadline op de agenda heeft gezet. Het land wil in 2020 een bruto binnenlandse product per hoofd van de bevolking van tenminste 70% van het gemiddelde van alle eurolanden. Een ambitieus streven, want het bbp per hoofd van de bevolking ligt daar nu op ongeveer 60% van het gemiddelde van de Eurozone.

Wanneer EU-landen voldoen aan de gestelde criteria kunnen ze de euro invoeren, ook als de landen op andere criteria minder goed scoren. Denk bijvoorbeeld aan het toezicht op en de stabiliteit van de binnenlandse bankensector. Door de Europese schuldencrisis van een aantal jaar geleden werd duidelijk dat sommige Spaanse banken er heel slecht voor stonden en dat er in Italië veel slechte leningen op de bankbalansen stonden. Ook Bulgarije staat relatief hoog op de ranglijst van landen waar de bankensector veel slechte leningen op de balans heeft staan.

De uitbreiding van de euro is ook een politiek project, waarin iedere nieuwe toetreding wordt uitgelegd als een succes voor de muntunie. De tijd zal uitwijzen of het ook voor de Oost-Europese landen de moeite waard is om hun eigen monetaire soevereiniteit op te geven voor deelname aan de euro en of het ook voor de relatief sterke landen van de muntunie voordelen oplevert.